
tussen zijn lippen vandaan komt en dan
steeds verder
naar buiten kruipt. Wat de stift op het papier doet, dat
doet het tongetje in de lucht. Jeroentje ligt nu zowat
over zijn vel papier heen, met zijn ogen vlak bij de
punt van de stift. Het lijkt wel of iemand anders zijn
hand bestuurt en Jeroentje er zelf minstens zo ver-
baasd naar kijkt als Erik.
En dan, net zo plotseling als hij begon,
komt
Jeroentje overeind en schuift het papier naar Erik toe.
„Zo!" zegt hij. „Kaa!"
„Is hij klaar, Jeroentje?" vraagt Erik. 'Hoe
weet zo'n
jochie dat nou?'
Jeroentje kijkt even peinzend naar Erik. „O
nee-
nee," zegt hij dan en grist snel het papier terug. Met
de stift zet hij nog één lange rode streep. Dan weet hij
het echt zeker. „Kaa!" Hij schuift de
tekening naar
Erik toe.
'Het zijn eigenlijk gewoon rode krassen,
maar toch
wel knap van zo'n kleintje,' denkt hij. „Dat heb je
mooi gedaan," zegt hij. „Kijk, dit lijkt een beetje een
hoofd en dat is eigenlijk een soort arm."
Jeroentje kijkt hem verbaasd aan. „Isse
kaa!" zegt
hij een beetje beledigd. Hij pakt de tekening weer
terug en kijkt er nog eens goed naar. Hij knikt tevre-
den en legt de stift terug op het tafeltje.
„Zullen we hem ophangen?" vraagt Erik en
steekt
zijn hand uit naar de tekening.
Maar dat is niet de bedoeling. Snel trekt
Jeroentje
het papier terug, pakt het bij een punt beet en begint
het dan met veel plezier te verkreukelen.
„Wat doe je nou?" roept Erik.
Maar Jeroentje gaat rustig verder. Pas
wanneer het
hele vel verfrommeld is, stopt hij en kijkt hij naar
Erik. „Kekening isse kaa," zegt hij ernstig.